De evenbeelden van Franca Treur
(Bron: Christelijk Weekblad. Auteur: José M. Baars-Blom)
Ook andere meningen zijn goed
Er wordt gerammeld aan de deur van het reformatorische volksdeel. Niet alleen van buiten maar ook van binnenuit. Kinderen die gaan studeren stellen lastige vragen waar ze graag antwoord op willen. Geef die dan ook, roept José Baars op.
Wat ik in mijn studententijd ontdekte, was dat ik onderdeel was van een Groot Verhaal. Ik voelde me verraden. Mijn hele leven, mijn hele wereldbeeld, hing samen met de God waarmee ik was opgegroeid. Ik kon wel als alternatief mijn eigen God gaan verzinnen, zoals veel mensen doen, maar waarom zou ik? Franca Treur maakt bij haar studie Nederlands kennis met een veelheid van scheppings- en zondvloedverhalen. Niet veel later noemt zij zich geen christen meer.
Ik volg in het najaar van 2009 hoe haar boek Dorsvloer vol confetti wordt ontvangen en welk debat erover wordt gevoerd in met name orthodox christelijke media. Wanneer na een paar maanden de mediastorm luwt, ga ik in gesprek met jongeren uit reformatorische kring. Lijken hun verhalen op die van Kathelijne in de roman of op de levensloop van Franca in de praktijk?
Ik denk niet dat ouders en ambtsdragers in de reformatorische zuil zitten te wachten op Kathelijnes, stelt Franca in het Reformatorisch Dagblad. Afgaand op de reacties op de auteur en haar roman, krijg je die indruk inderdaad. Invloedrijke mannen (predikanten, rechtzinnige geleerden) laten weten dat de auteur van Dorsvloer vol confetti haar lezers ten diepste niet veel te vertellen heeft, omdat zij het grote verhaal heeft afgezworen. Ze hoeft ook geen spiegel voor te houden: onze spiegel is Gods wet. God dient op een hoger plan staan dan wetenschap, vermoed ik, wanneer ik lees: Franca gelooft niet meer, omdat de wetenschap anders leert. Kunnen we tegenover de beperkte, wetenschappelijke verklaringen van de wereld persoonlijk getuigen van de kracht van Gods genade en liefde in ons leven?
Lezers van het Reformatorische Dagblad, mannen en vrouwen klimmen in de pen om te laten weten dat het goed is te beseffen dat we allen van eenzelfde lap zijn gescheurd en er gepredikt wordt de ander hoger te achten dan onszelf. In tegenstelling tot de opiniemakers lijken de gewone lezers in de roman en de ervaringen van Franca wat te herkennen. Wat overigens niet wegneemt dat zij hopen dat de Goede Herder ook dit schaap weer thuis brengt.
Leefwereld
Tot welke vragen zijn ze (jongeren) in staat? En zijn daar wel altijd antwoorden op? En als er geen standaardantwoorden zijn, wat dan? Gaan ze dan buiten de zuil zoeken, vraagt Franca Treur de lezers van het Reformatorisch Dagblad.
In mijn onderzoek zitten vragenstellers, zoals Marco van 17 jaar, die nu examen havo doet. Op het platteland waar hij opgroeit is Gods Woord wet en bepalen de seizoenen de werkzaamheden. Marco komt uit een gezin met negen kinderen: drie meisjes en zes jongens. Zijn ouders leven een eenvoudig leven in en om het boerenbedrijf. Hun kinderen kiezen voor vervolgopleidingen op hbo- of universitair niveau. Als ik hem vraag wat het belangrijkste is wat zijn ouders bij het grootbrengen van kinderen voor ogen hebben, zegt hij: 'Dat we bij de kerk zouden gaan horen'. Of dat is gelukt? 'Alleen bij mijn oudste zus', vertelt hij, 'die woont in het dorp en leeft een leven zoals dat wordt verwacht van iemand die bij de kerk hoort. Nu ik thuiswoon ga ik nog mee naar de kerk, het interesseert me niks meer, maar weglopen geeft geen goed gevoel.'
Marco denkt dat zijn leefwereld groter is dan van zijn ouders, alleen al door school en internet. Als ik thuis een vraag stel, bijvoorbeeld waarom ik niet uit zou kunnen gaan, is het antwoord daarom en daarmee is de discussie gesloten. Hooguit hoor ik als ik de deur uitga nog dat er niks van me terecht komt. Ik vind dat er geen gesprek is als mijn ouders hun stelling slechts letterlijk herhalen. Het lijkt alsof ze niet mee kunnen gaan in onze vragen. Ik denk dan: vraag je af waarom je regels hebt en weet waarvoor die staan. Dan kun je op basis van kennis motiveren waarom je iets vindt. Stel dat mijn ouders een antwoord beginnen met omdat en al zouden ze maar een argument geven wat ze in een preek hebben gehoord, dan zou het al heel anders zijn.
Nicolet, ook 17 jaar, havist en de oudste van vijf kinderen, bezoekt de Christelijke Gereformeerde Kerk in het vissersdorp waar ze woont en stelt dat ze thuis overal over kan praten. 'Nou ja, over alles over persoonlijk geloof, dat is wel wat moeilijk.' Zij verdiepte zich in hekserij en gothics 'maar niet om het te worden, hoor' en was te vinden bij internetforums als refoweb en postrok. 'Dat vond ik beter.'
Nicolet loopt rond met vragen over bekering. 'Er wordt gesproken over de stappen die horen bij een bekering. Ik vraag me af waarom het alleen zo en niet anders kan.' Als ze geen bevredigend antwoord krijgt in eigen kring zoekt ze verder. 'Ik kan me niet voorstellen dat je alleen interessant vindt wat er in je eigen kerk wordt gezegd. In een evangelische gemeente hoorde ik mensen bidden op een manier waaruit blijkt dat ze verwachten dat hun gebed ertoe doet. Ik vind dat inspirerend, ook wanneer je bidt om bekering mag je rekening houden met de mogelijkheid dat God je geloof schenkt. Tuurlijk beïnvloedt dat mijn denken. Niet alleen wat wij in de kerk zeggen is goed, er zijn ook andere meningen die goed zijn.'
Openheid
In het Reformatorisch Dagblad klinkt de oproep om in de eigen kring opener te zijn over het bestaan van verschillende zondvloedverhalen en andere opvattingen. Dan is het niet nodig dat jongeren zich tijdens een studie zo verraden gaan voelen als de schrijfster. Een artikel van Franca Treur zelf en een hoofdredactioneel commentaar in maart 2010 geven de finale klap op de discussie in het dagblad.
Van de opiniepagina klinkt de oproep zinvolle vragen toe te laten en antwoorden te geven die recht doen aan de intentie van vragen, zodat ook jonge intelligente mensen zich in de kerk thuis kunnen voelen. Zou geloven een werkwoord zijn?
De auteur is freelance cultureel antropoloog. Zij is tevens bezig met een promotieonderzoek naar de 'wereldverkenning' van jongeren uit reformatorische kring en de invloed daarvan op hun denken en doen.
Jongere wil oudere in het hart kijken
(Bron: Reformatorisch Dagblad. Auteur: W.B. Kranendonk)
De vragen lijken nieuw en in ieder geval moeten er adequate antwoorden gegeven worden. Of zijn de vragen helemaal niet nieuw maar werkt de ouderwetse manier van antwoord geven niet meer. Menig ouder weet geen raad meer met de opstelling van de puber en adolescent in het gezin. Die laat zich weinig meer gezeggen. Maar hebben ouders zelf nog wel wat te zeggen? En vooral: hoe zeggen ze het?
Ambtsdragers, jeugdleiders, onderwijsgevenden, sociologen en ook journalisten raken er niet over uitgepraat. De vraag hoe de omgang met de jeugd van tegenwoordig moet worden benaderd, is goed voor honderden studies, vele artikelen en tientallen brainstormsessies of bezinningsdagen. Wie zich enigszins verdiept in de jongerenproblematiek, raakt bedolven onder de analyses en vermoeid van de discussie waar geen eind aan lijkt te komen. Het vraagstuk is onoplosbaar. Met andere woorden: wie het waagt er nog een letter aan te wijden, weet bijna zeker dat hij voor de stapel ongelezen stukken schrijft.
Lastig
Toch zijn er soms bijdragen die de lezer of hoorder even stil en aan het denken zetten. Gewoon omdat ze trefzeker de vinger bij de zere plek leggen en daarbij soms ook nog een soort EHBO-handleiding bieden. Dat gaat dan verder dan een klaaglied van een bekommerde ouder die het ook niet meer weet hoe het moet met het opkomend geslacht.
Tot die laatste categorie behoort het artikel over reformatorische jongeren dat José Baars-Blom vorige week schreef in Christelijk Weekblad (CW), het ”Nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland”. De cultureel antropologe, die zelf niet direct tot de reformatorische kring behoort, kreeg daarbinnen bekendheid door haar studie van meisjes die de Pieter Zandt scholengemeenschap in Kampen bezoeken. Momenteel is zij bezig met een promotieonderzoek naar de wereldverkenning van de reformatorische jongeren.
In haar artikel voor CW constateert Baars dat de reformatorische jongeren het soms erg lastig hebben om in de moderne maatschappij hun weg te vinden als ze daarbij de reformatorische levensovertuiging trouw blijven. Ze zitten boordevol vragen, maar krijgen daar lang niet altijd antwoorden op. Natuurlijk weet iedere volwassene uit de eigen jeugd dat er een fase is waarin vanzelfsprekendheden vragen worden. Dan roept elk antwoord nieuwe dilemma’s op. Dat hoort bij de groei naar de volwassenheid. Maar dan is juist van belang dat ouderen, in de eerste plaats vader en moeder, er zijn om antwoordden te geven – zelfs als ze dat moeilijk vinden.
Onmacht
Daar wringt volgens onderzoekster Baars nu juist de schoen. Jongeren hebben vragen, wellicht nog meer dan vroeger, maar krijgen vaak geen antwoord. Soms komt dat voort uit onmacht van de ouders. Je zult als vader maar een beperkte opleiding hebben en je studerende zoon bestookt je met allerlei ingewikkelde vraagstukken. Dan ben je vaak niet bij machte om antwoorden te geven. Soms komt het voort uit gemakzucht. Het kind moet gewoon aannemen wat vader zegt. Niet zelden heeft het ook te maken met ergernis. Zoon of dochter moet niet zo lastig en kritisch zijn.
Met klem roept Baars op: geef alstublieft echte antwoorden op de vragen waarmee de jeugd zit. Met verschillende voorbeelden maakt zij duidelijk dat er te weinig gesprek is tussen ouders en kinderen. En als er iets gezegd wordt, dan is het vaak een cliché. Daar hebben jongeren echter schoon genoeg van. Ze voelen zich dan met een kluitje in het riet gestuurd.
Ouders tonen zich op grond van de reactie van zoon of dochter nogal eens verbijsterd over zo veel brutale kritiek. Of ze zijn verbolgen over de jeugd van nu, die zich niets meer laat gezeggen. Al snel wordt dan maar de conclusie getrokken dat de jeugd van tegenwoordig het gezag met voeten treedt; dat hij niet meer wil luisteren. „Dat was in mijn tijd wel anders. Als mijn vader sprak, zwegen wij.” Of dat laatste echt zo was, valt achteraf moeilijk te bewijzen. Bekend is dat mensen het verleden snel idealiseren. Ook veertig jaar geleden verschenen er al boekjes met titels als ”Jeugd in Nood” waarin de ongezeglijkheid van de jongeren benoemd werd. Toen al!
Feit is dat rond 1970 de verhoudingen binnen gezinnen anders waren dan nu. Wat vader, meester, ouderling of predikant zei, werd in het algemeen wel stilzwijgend aangehoord. Alleen een enkele student probeerde wel eens wat. Maar hij liep het risico door zijn omgeving ”blaaskaak” of ”professor” genoemd te worden. Ook al onderwierpen zijn leeftijdgenoten zich vaak geveinsdelijk aan het gezag, zij spuiden geen openlijke kritiek en hadden geen behoefte aan pittige discussies.
Dat ligt anno 2011 anders. Opvoeders hebben tegenwoordig te maken met jongeren die al vroeg mondig zijn. Zij stellen vragen. Voor hen is ook veel bespreekbaar. De vanzelfsprekendheid van de meeste dingen is voorbij. Bij bijna alles stellen ze de vraag: Is dat wel zo? Is er ook een alternatief mogelijk? Wie zegt mij dat u gelijk hebt?
Schokkend
Voor veel ouderen is dit een schokkende ervaring. Hoe bestaat het, dat vaststaande punten nu ineens ter discussie worden gesteld? Hier wordt geknaagd aan het gezag van ouders, leerkrachten en ambtsdragers. De geest van de revolutie heeft zich meester gemaakt van onze jeugd, schreef nog niet zo lang geleden een predikant. Alsof de gereformeerde belijdenis niet zegt dat die geest al van voor de geboorte over alle mensenkinderen heerst.
Zonder te willen beweren dat de gezagscrisis aan de gereformeerde gezindte voorbij is gegaan, is het niet terecht om elke kritische vraag van een jongere direct in dat licht te zien. Wie spreekt met lastige vragenstellers van zeventien of achttien jaar, komt vaak tot de ontdekking dat zij er helemaal niet naar streven om rebels te zijn. Ze zitten vaak met echte vragen.
Bovendien vinden de jongeren van deze tijd het stellen van vragen heel normaal. „Daar moet je toch over kunnen praten.” Ze zijn zich nauwelijks bewust dat hun behoefte aan een ”open gesprek” over fundamentele vragen bij ouderen als ongepast kan overkomen. Wie als oudere dit verschil van perceptie niet herkent, weet zich verzekert van ruis in de communicatie met jongeren.
Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat elke vraag van een jongere gepast is. Evenmin is daarmee gesteld dat de tijdgeest die de jeugd in zijn greep heeft, zonder meer valt goed te praten. Maar er dient wel mee gerekend te worden. Juist in onze open informatiemaatschappij, waarin jongeren, maar ook ouderen bedolven worden onder een veelheid van meningen, is het voor jongeren niet gemakkelijk om zich immuun te houden voor beïnvloeding door al die opvattingen. Juist daarom willen ze weten hoe hard en houdbaar de standpunten zijn die ze van huis, van de kerk en van school meekrijgen.
Begrip
Geef antwoorden, echte antwoorden. Dat is dus de boodschap van Baars. Daar ontbreekt het vaak aan. Terwijl jongeren ernaar snakken. Als die niet worden gegeven, haken ze af.
Natuurlijk snapt zij dat niet elke ouder in staat is om de soms filosofische vragen van zoon of dochter afdoende te behandelen. Maar uit haar onderzoek blijkt dat jongeren dat vaak ook wel begrijpen. Dat nemen ze hun ouders ten diepste ook niet kwalijk. Maar ze willen wel het gevoel hebben dat ze met hun vragen serieus genomen worden. Dat vader en moeder bereid zijn te luisteren en dat ze zeker hun kind niet afschrijven omdat het een lastige vraag stelt. Wanneer vader of moeder eerlijk aangeeft het niet te weten, maar wel bereid is naar een weg te zoeken om het antwoord te vinden, maakt dat veel goed.
Een serieuze houding met begrip voor de worsteling die jongeren doormaken, betekent ook dat vader en moeder niet moeten proberen weg te komen met het antwoorden in clichés. Wie zich probeert te redden met: Dat is altijd zo bij ons geweest, verliest het, hoe waardevol sommige tradities ook kunnen zijn.
Altijd zullen jongeren dan met de waaromvraag komen. Waarom denkt u dat? Wat zijn de argumenten? Zij willen proeven dat het standpunt van hun ouders een doorleefd standpunt is. Dat hun vader of moeder het zich werkelijk eigen gemaakt heeft. Wie vandaag de dag denkt zijn kinderen te kunnen opvoeden door tamelijk gemakzuchtig te drijven op het erfgoed van het voorgeslacht, kan er zeker van zijn uiteindelijk schipbreuk te lijden. Waarmee natuurlijk niet gezegd is dat deze erfenis geen betekenis heeft. Integendeel, ze is heel waardevol. Maar jongeren willen proeven dat vader en moeder door het erfgoed zijn heengekropen. Het gaat er hen niet primair om te horen hoe het zit, ze willen weten hoe het voelt.
Toonzetting
Belangrijk is ook de toonzetting van het gesprek over de vragen van jongeren. Wie direct kiest voor een belerende en licht bestraffende toon, heeft vaak al verloren. Jongeren voelen zich dan onbegrepen en soms ook weggezet. Ook hier geldt: het is de toon die de muziek maakt. Vergeet de les van Paulus niet: „Uw woord zij allen tijd in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet antwoorden.” (Kol. 4:6) De kritiek weerleggen is soms noodzakelijk, waarschuwen kan soms ook nodig zijn en bestraffen ook.
Vaak is het beter om de kwestie van een andere kant te belichten. Om een voorbeeld te noemen: voor de jeugd van nu tellen kerkmuren veel minder dan voor hun ouders. Het kerkelijk besef neemt af. Je kunt volgens veel jongelui ook met evenveel gemak in een andere kerk zitten. Maakt toch niets uit.
Een scherp betoog waarin de verschillen tussen het ene en het andere kerkverband worden benadrukt, heeft dan niet zo veel zin. Ook niet dat het nodig is kerkelijk te denken. Dat vindt nauwelijks weerklank. Maar waarom beginnen ouders het gesprek daarover niet bij de bijzondere zorg van God, Die in Zijn wijs bestuur ervoor gezorgd heeft dat je als kind geboren bent uit ouders die tot die bepaalde kerk behoren. Dat is niet zonder reden. En als je als ouders dan met geduld duidelijk kunt maken hoe waardevol het voor je is om te behoren tot die kerk, kun je iets winnen.
Daarmee is het meest belangrijke in de communicatie tussen ouderen en jongeren genoemd. Waar jongelui naar uitzien is een blik te mogen werpen in het hart van hun ouders, hun ambtsdragers en andere opvoeders. Dat vraagt wat van schuchtere calvinisten. Zij spreken meestal niet zo vrijuit over hun innerlijk. Maar wie het hart van jongeren wil bereiken zal eerst nabij zijn eigen hart moeten komen. Het hart moet dus op tafel. Wie dat niet durft en niet doet, moet niet verbaasd zijn als jongelui elders –in meer evangelische kringen– terechtkomen. Alleen een oprechte en warme toon over de dienst van de Heere kan behouden.